|
|
| Schrijven is meer dan mooie woorden combineren |
|
Het Venrayse Literair Café wil mensen via de jaarlijkse schrijfwedstrijd De Raadselige Roos stimuleren zelf de pen ter hand te nemen. Sinds deze week kunnen schrijvers van proza en poëzie elk kwartaal eigen en elkaars werk bespreken. Een persoonlijke impressie. Door Jolanda den Haan VENRAY - Ze zijn er niet allemaal even happig op dat 'de krant' erbij zit. Ze komen immers niet allemaal bij de schrijverskring om beroemd te worden, maar vooral om hun eigen werk te verbeteren. Voor sommigen ligt dat anders: 'Tuurlijk mag mijn naam genoemd worden. Wie weet is het een opstapje naar een publicatie', lacht Petra van den Munckhof. Maandagavond acht uur, een klein zaaltje in partycentrum De Witte Hoeve in Venray. Een grote, witte tafel in het midden. Tien stoelen aangeschoven, evenzoveel kopjes op tafel. Met elk een koekje. In een glazen schaaltje melk en suiker zoals het tegenwoordig gebruikelijk is: voorverpakt. Alles zo keurig, is het wel de juiste ambiance voor verhitte discussies tussen schrijvers en dichters? Over een komma hier en een leesteken daar. Over een woord dat verkeerd gebruikt is, een alinea die niet loopt. Over onlogische verhaallijnen en perspectiefwisselingen. Aan de verwachtingen wordt grotendeels voldaan. Alleen komt de hitte uit de verwarming en niet van de discussies. De begeleider van de schrijverskring - 'Marlet is de naam' - zorgt dat er afstand blijft. Niet door spaarzaam te zijn met vragen en opmerkingen, maar door het afkappen van al te persoonlijke kritiek. 'Goed, maar het is zíjn gedicht. Op- en aanmerkingen zijn welkom als ze opbouwend zijn bedoeld', maakt hij de club vrij snel duidelijk. De club bestaat uit drie vrouwen, vier mannen en Marlet. Niet meer piepjong, zeker niet bejaard. Allemaal mensen die het schrijven niet kunnen laten. 'Het is een behoefte van binnenuit. Als ik het lang niet doe, word ik misselijk', vertelt Armand Gieling uit Venray. De schrijverskring zien ze allemaal als een middel om te kunnen groeien in hun werk. Het eerste deel van de avond worden zes gedichten besproken van Myce Surminski (40), in het Venrayse geen onbekende. Kroegdichter, noemt hij zich. Zijn pseudoniem Werdenibold is dit jaar 28 jaar geworden. Surminski's poëzie oogst lof, spreekt de anderen aan. Myce ziet 'zulke leuke dingen', als de krul van de wolk. 'Heb ik nog nooit gezien in wolken, maar is heel boeiend. Zien wordt bij jou direct omgezet in woorden', complimenteert Hanna - 'Nee, liever geen achternaam'. De dichter gebruikt naar de zin van André Leijssen echter te veel overbodige woorden: ''Zoals', 'maar' en 'dat' kun je meestal beter weglaten. Dan wordt wat je wilt zeggen krachtiger.' 'Daaruit blijkt dat ik word gehinderd door mijn dialect', reageert Myce. Het levert hem een standje van Marlet op: 'Een dialect hoeft je niet te verhinderen goed Nederlands te schrijven.' Na de pauze is het verhaal van Venraynaar Armand Gieling aan de beurt. Hij beschrijft de droom waarmee hij afscheid neemt van zijn overleden vader. Gevoelig onderwerp. Persoonlijk ook. Moeilijk om te bekritiseren. Móet wel, want Gieling heeft zijn verhaal overladen met bijvoeglijke naamwoorden. Mooie woorden, maar overdaad schaadt. 'Dit kan een leuke schrijfstijl worden. Als je het evenwicht kunt vinden', zegt Petra van den Munckhof dan ook. 'Door zoveel woorden te gebruiken, vraag je wel erg veel geduld van mensen in 1997', beaamt Hanna. De club heeft het er duidelijk moeilijk mee. De collegaschrijvers vinden het eigenlijk een loodzwaar verhaal vol verwarrende wendingen en taalkundige onmogelijkheden. Maar tegelijkertijd heeft Armand het in hun ogen zo prachtig opgeschreven. Myce: 'Ik heb het drie keer gelezen. Het is een zwaar en donker sprookje. Maar alles zit erin. Heel mooi bijvoorbeeld is zo’n poëtische zin als Terwijl de bank waarop hij zat langzaam naar de dagkant toedraaide, deed het grauwvale ochtendlicht het kerkhof oplichten en penseelde grondmist de bodem.' Marlet geeft Armand de raad eens met de grove stofkam door zijn verhaal te gaan, zodat wat overblijft aan zeggingskracht kan winnen. Een volgende keer kan het dan opnieuw getoetst worden door de Venrayse schrijverskring. In januari is het echter eerst de beurt aan Petra van den Munckhof en Marcel Seykens. Enkele weken van tevoren zullen zij hun gedichten rondsturen, zodat iedereen zich vooraf een mening kan vormen. Voor Petra is het het uur van de waarheid. Zij vindt wat ze schrijft zélf zozeer de moeite waard dat het eigenlijk gepubliceerd zou moeten worden. Maar zullen de anderen dat ook vinden? |
(uit
Dagblad De Limburger, 01-10-’97)
|